Wat is lactose intolerantie?

De term lactose intolerantie wordt gebruikt om de symptomen aan te geven die horen bij lactose malabsorptie (Misselwitz et al., 2019). Malabsorptie betekent in dit geval dat de lactose niet verteerd/opgenomen wordt in de dunne darm (Misselwitz et al., 2019).

Wat gebeurt er met lactose in de darmen?

Lactose is melksuiker en is van nature aanwezig in de melk van zoogdieren (Heyman, 2006). Lactose wordt met behulp van het enzym lactase in de dunne darm afgebroken (Heyman, 2006). Dit afbrekingsproces bestaat eruit dat de lactose wordt gesplitst in twee andere stoffen, glucose en galactose (Heyman, 2006; Swaggerty et al., 2002). Deze twee stoffen worden vervolgens door de lever opgenomen, waar ze als een energiebron functioneren (Corgneau et al., 2017).

Bij lactase malabsorptie is er niet genoeg van het enzym lactase in de dunne darm aanwezig om alle lactose op te splitsen, waardoor de lactose in de dikke darm terecht komt bij allerlei soorten bacteriën (Corgneau et al., 2017). Sommige soorten van deze bacteriën kunnen de lactose omzetten naar een aantal andere stoffen, waaronder waterstofgas (Perlman, 2013). Dit is de oorzaak voor dat opgeblazen gevoel en buikpijn (Corgneau et al., 2017). Het gas blijft niet in het lichaam, maar wordt via de longen uitgeademd of verlaat het lichaam door middel van winderigheid. Er zijn ook bacteriën in de darmen aanwezig die de lactose niet omzetten, maar die het fermenteren. Deze fermentatie zorgt ervoor dat de vochtbalans in de darmen verstoord raakt (Levitt et al., 2013). In andere woorden; het zorgt voor diarree.

melkwegindekeuken-buikpijn

Waarom hebben sommige mensen lactose intolerantie en andere niet?

Het is genetisch bepaald dat de hoeveelheid lactase enzym in de darmen verminderd naarmate men ouder wordt (Fox et al., 2015). Deze vermindering komt bij 70% van de wereldbevolking voor (Fox et al., 2015). Het vermogen om lactose af te breken is cruciaal voor baby’s; hun voornaamste voedingsbron is tenslotte melk (Corgneau et al., 2017). Vanaf een jaar of 2-3 tot 5-10 wordt er onder invloed van de genen steeds minder lactase aangemaakt (Corgneau et al., 2017). Het is in principe ook minder nodig, aangezien er minder afhankelijkheid is ten opzichte van melk.

Ethniciteit is ook van invloed op het vermogen om melk te verdragen. In gebieden met een geschiedenis van hoge melkconsumptie zijn er minder mensen met lactose intolerantie, dan in gebieden met een lagere consumptie (Paige, 2005). Het gaan dan bijvoorbeeld om 15% lactose intolerantie bij mensen van Europese afkomst, 70-80% bij mensen van Afrikaanse, Latijns Amerikaanse, Oost-Europese en Zuid-Amerikaanse afkomst en bijna 100% bij Aziatische populaties (Paige, 2005).

Symptomen van lactose intolerantie

Zoals al duidelijk wordt, zijn diarree, gasvorming, winderigheid en een opgeblazen gevoel een gevolg van onverteerde lactose die in de dikke darm terecht komt. Daarnaast kan het ook voor misselijkheid, overgeven of constipatie zorgen (Corgneau et al., 2017). Het kan daarnaast ook nog van invloed zijn op hoofdpijn, verlies van concentratie, allergieën, spier- en gewrichtspijn (Mattews et al., 2005).

Hoe weet je of je lactose intolerant bent?

Als je lactose binnenkrijgt en je krijgt last van bovenstaande symptomen, zou dat kunnen duiden op lactose intolerantie. Het kan echter ook zo zijn dat dit een andere oorzaak heeft.

Om zeker te weten of je lactose intolerant bent, kun je een waterstof ademtest doen. Zoals hierboven uitgelegd is, stijgt het niveau van waterstofgas in het lichaam als lactose onverteerd in de dikke darm terecht komt en daar door bacteriën omgezet wordt naar onder andere waterstofgas (Perlman, 2013). Door het meten van het deel waterstofgas dat via de longen het lichaam verlaat, kan worden gezegd of er een verhoging van het gas in het lichaam aanwezig is. Voor deze test wordt aan het begin de concentratie waterstofgas in de adem bepaalt. Dit wordt als referentie gebruikt. Vervolgens krijg je een drankje met lactose om op te drinken. Hierna worden op bepaalde tijdsintervallen de concentratie waterstofgas weer gemeten. Als de concentratie waterstofgas met meer dan 20 ppm (parts per million) is toegenomen, word je als lactose intolerant aangemerkt (Järvela et al., 2009). Deze test wordt over het algemeen als de meest betrouwbare, minst ingrijpende en goedkope manier om lactose intolerantie aan te tonen (Lomer et al., 2008).

Een andere manier om de diagnose te stellen is door middel van een bloedtest. Aangezien bij lactose intolerantie de lactose niet omgezet wordt naar glucose en galactose vindt er dus een kleinere verhoging van het glucoseniveau in het bloed plaats dan het geval is als de lactose wel wordt omgezet (Levitt et al., 2013).

Twee andere testmethodes zijn een bloedtest waarbij de genen worden getest of een stukje darm te testen op lactase activiteit (Corgneau et al., 2017; Levitt et al., 2013; Usai-Satta et al., 2012). Deze tests zijn echter een stuk invasiever en hebben ook andere beperkingen (Usai-Satta et al., 2012).

Wat beinvloed de mate van lactose intolerantie?

Het kan zijn dat je wel lactose intolerant bent, maar er eigenlijk niet zo veel last van hebt. Of misschien heb je er wel heel veel last van. Het verschilt van persoon tot persoon en heeft te maken lichamelijke verschillen, zoals de snelheid waarmee voedsel door de dunne darm passeert, de hoeveelheid vocht die de darmen kunnen absorberen en het effect van de bacteriële fermentatie (Corgneau et al., 2017).

Hoe om te gaan met lactose intolerantie?

De meeste onderzoeken zijn het er over eens dat zelfs met lactose intolerantie er een bepaalde hoeveelheid is die nog verdragen wordt (Corgneau et al., 2017). De hoeveelheid waar dan over gesproken wordt is 12 gram lactose (Corgneau et al., 2017). Dit kan voor elke persoon weer verschillen, dus om te weten hoeveel lactose jij nog kunt verdragen kun je steeds wat meer lactose eten totdat je er last van krijgt. Vervolgens kun je aan de hand van die hoeveelheid beslissingen over eten maken.

Er zijn ook onderzoeken die een verbetering van de vertering van lactose aangeven als er regelmatig lactose gegeten wordt (Reddy & Pershad, 1972; Habte et al., 1973; Johnson et al., 1993). Dit komt niet doordat er bijvoorbeeld meer lactase wordt aangemaakt als er meer lactose wordt gegeten; de vermindering van lactase is in de meeste gevallen defitinief (Keusch et al., 1969; Reddy & Pershad, 1972; Sahi, 1994). Het kan wel zo zijn dat de bacteriën in de darmen zich aanpassen, waardoor er meer bacteriën in de darmen zijn die lactose kunnen fermenteren zonder dat daaarbij waterstofgas bij vrijkomt (Corgneau et al., 2017). Er zijn echter vraagtekens bij deze onderzoeken te plaatsen en het is niet dan ook niet duidelijk vastgesteld dat er inderdaad een verbetering in de vertering van lactose optreedt (Corgneau et al., 2017). Je zou het zelf uit kunnen proberen om te kijken of het voor jou werkt.

Je kunt er ook voor kiezen om alle lactose uit eten te vermijden. Dit is vaak de meest veilige methode, want zo kom je nooit over die  grens heen en krijg je geen klachten. Het is ook wel vrij moeilijk om vol te houden, want er zijn dan best veel voedingsmiddelen die je helemaal niet meer mag eten.

Waar heb ik voor gekozen?

Ik heb er zelf voor gekozen om het grootste gedeelte van de tijd lactosevrij te eten. Ik merkte dat ik ook bij minder dan 12 gram lactose last van mijn darmen kreeg en dat het ook invloed had op hoe goed ik andere voedingsmiddelen kon verdragen. Hele kleine hoeveelheden, zoals 1 gram lactose eet ik soms wel, maar dan niet meerdere dagen achter elkaar.

Ik vind het wel belangrijk om dingen waar ik zin in heb te kunnen eten, dus ik heb mij verdiept in het lezen van etiketten, zodat ik een geïnformeerde beslissing kan maken over wat ik wel en wat ik niet wil eten.

Als er dingen zijn die ik heel lekker vind, maar die te veel lactose voor mij bevatten neem ik een lactase supplement. Dit doe ik bijvoorbeeld ook als ik uit eten ga, want daar is het vaak moeilijker inschatten hoeveel gram lactose ergens in zit. Dankzij het supplement wordt de lactose in mijn eten dan toch verteerd.

Voor alle andere momenten probeer ik een lactosevrije variant te maken die ik dan zonder problemen kan opeten, want dan kan ik eten waar ik zin in heb, maar loop ik geen risico op ongemakken.

Ik heb zoveel mogelijk geprobeerd mijn eten aan mijn leefstijl aan te passen in plaats van drastisch anders te gaan eten en leven. Ik ben er van overtuigd dat dit ervoor zorgt dat het voor mij makkelijker vol te houden is om lactosevrij te eten.

Literatuur

Corgneau, M., Scher, J., Ritie-Pertusa, L., Le, D. t. l., Petit, J., Nikolova, Y., Banon, S. & Gaiani, C. (2017). Recent advances on lactose intolerance: Tolerance thresholds and

currently available answers. Critical Reviews in Food Science and Nutrition, 57(15), 3344-3356.

Habte, D., Sterky, G. & Hjalmarsson, B. (1973). Lactose malabsorption in Ethiopian children. Acta Paediatricia Scandinavia. 62, 649–654.

Heyman, M.B. (2006). Lactose Intolerance in Infants, Children, and Adolescents. Pediatrics, 118(3), 1279-1286.

Järvelä, I., Torniainen, S., & Kolho, K. L. (2009). Molecular genetics of human lactase deficiencies. Annals of medicine, 41(8), 568-575.

Johnson, A. O., Semenya, J. G., Buchowski, M. S., Enwonwu, C. O. & Scrimshaw, N. S. (1993). Adaptation of lactose maldigesters to continued milk intakes. American Journal of Clinical Nutrition. 58, 879–881.

Keusch, G. T., Troncale, F. J., Thavaramara, B., Prinyanont, P., Anderson, P. R. & Bhamarapravathi, N. (1969). Lactase deficiency in Thailand: effect of prolonged lactose feeding. The American journal of clinical nutrition, 22(5), 638-641.

Levitt, M. D, Wilt, T., and Shaukat, A. (2013). Clinical implications of lactose malabsorption versus lactose intolerance. Journal of Clinical Gastroenterology, 47(6), 471–480.

Lomer, M. C. E., Parkes, G. C., & Sanderson, J. D. (2008). lactose intolerance in clinical practice–myths and realities. Alimentary pharmacology & therapeutics, 27(2), 93-103.

Matthews, S. B., Waud, J. P., Roberts, A. G., & Campbell, A. K. (2005). Systemic lactose intolerance: a new perspective on an old problem. Postgraduate medical journal, 81(953), 167-173.

Misselwitz, B., Butter, M., Verbeke, K. Fox, M.R. (2019). Update on lactose malabsorption and intolerance: pathogenesis, diagnosis and clinical management. Gut, 68, 2080-2091.

Paige, D. M. (2005). Lactose intolerance. In: B. Caballero (Eds.), Encyclopedia of Human Nutrition (2nd ed., pp. 113-120). Elsevier, Oxford.

Perlman, R. (2013). Evolution and Medicine. OUP, Oxford.

Reddy, V., & Pershad, J. (1972). Lactase deficiency in Indians. The American journal of clinical nutrition, 25(1), 114-119.

Sahi, T. (1994). Genetics and epidemiology of adult-type hypolactasia. Scandinavian Journal of Gastroenterology, 29(sup202), 7-20.

Swaggerty Jr, D.L., Walling, A.D. & Klein, R.M. (2002). Lactose Intolerance. American Family Physician, 65(9), 1845-1850.

Usai-Satta, P., Scarpa, M., Oppia, F., & Cabras, F. (2012). Lactose malabsorption and intolerance: what should be the best clinical management?. World journal of gastrointestinal pharmacology and therapeutics, 3(3), 29-33.